1Arbeidsduur
Het aantal uur dat in je contract staat, hier 38 uur per week. Een maand telt gemiddeld 52 ÷ 12 = 4,33 weken, dus 38 uur per week is 164,67 uur per maand. Werk je deeltijd, dan zie je hier minder uren en is je salaris naar verhouding lager.
↑ Terug naar de strook
2Uurloon en minimumloon
Je uurloon is je maandsalaris gedeeld door de uren per maand: € 3.500 ÷ 164,67 = € 21,26. De werkgever moet het wettelijk minimumloon op de strook vermelden. Vanaf 1 juli 2026 is dat € 14,99 per uur voor werknemers van 21 jaar en ouder (daarvoor € 14,71). Ligt je uurloon lager, dan klopt er iets niet.
↑ Terug naar de strook
3Loonheffingskorting
De loonheffingskorting is een korting op de loonheffing: de algemene heffingskorting plus de arbeidskorting. Je mag hem maar bij één werkgever of uitkeringsinstantie tegelijk laten toepassen, meestal bij je hoofdbaan. Met korting houd je per maand flink meer netto over. Laat je hem bij twee werkgevers toepassen, dan moet je na afloop van het jaar waarschijnlijk bijbetalen.
↑ Terug naar de strook
4Salaris (brutoloon)
Het loon dat in je contract staat, vóór inhoudingen. Daarnaast kunnen er andere looncomponenten op de strook staan, zoals overwerk, toeslagen voor onregelmatige diensten of een bonus. Die tellen meestal mee voor de loonheffing.
↑ Terug naar de strook
5Pensioenpremie werknemer
Bouw je pensioen op via je werkgever, dan betaal je vaak een deel van de premie zelf. Dat deel wordt ingehouden op je brutoloon. Het voordeel is dat je over dit bedrag geen loonheffing betaalt: het gaat eraf vóórdat de loonheffing wordt berekend (zie regel 9). Hoeveel procent het is, staat in je pensioenreglement.
↑ Terug naar de strook
6Loonheffing
Loonheffing is de voorheffing op je inkomstenbelasting. Het bestaat uit loonbelasting en premie volksverzekeringen (AOW, Anw en Wlz). De werkgever berekent het met de maandtabel van de Belastingdienst en draagt het via de loonaangifte af. Omdat de berekening per maand gaat, kan het totaal over een jaar iets afwijken van je echte belasting. Dat wordt verrekend via je aangifte inkomstenbelasting.
↑ Terug naar de strook
7Onbelaste vergoedingen
Sommige vergoedingen mag de werkgever onbelast uitbetalen, zoals een reiskostenvergoeding tot een maximumbedrag per kilometer of een thuiswerkvergoeding per dag. Die komen er netto bij en tellen niet mee voor de loonheffing. Daarom staan ze apart, onder het loon.
↑ Terug naar de strook
8Netto te betalen
Het bedrag dat op je rekening komt: alle betalingen min alle inhoudingen. Hier is dat € 3.560,00 − € 693,42 = € 2.866,58. Het nettobedrag kan per maand verschillen, bijvoorbeeld in de maand waarin je vakantiegeld, een bonus of een dertiende maand krijgt.
↑ Terug naar de strook
9Loon voor de loonheffing
Ook wel fiscaal loon of heffingsloon genoemd. Dit is het loon waarover loonheffing wordt berekend: brutoloon plus belaste looncomponenten en eventuele bijtelling voor een auto van de zaak, min de pensioenpremie. Hier is dat € 3.500 − € 175 = € 3.325.
↑ Terug naar de strook
10Tabelloon
De loonheffingstabel van de Belastingdienst werkt met stroken van € 4,50 per maand. Het loon voor de loonheffing wordt naar beneden afgerond op zo'n strook, het tabelloon: € 3.325 wordt € 3.321. Bij dat tabelloon hoort het bedrag aan loonheffing in de witte maandtabel. De groene tabel is voor loon uit een vroegere dienstbetrekking, zoals een pensioen dat de werkgever betaalt.
↑ Terug naar de strook
11Bijzonder tarief
Over bijzondere beloningen, zoals vakantiegeld, een bonus of een dertiende maand, gebruikt de werkgever niet de maandtabel maar het tarief bijzondere beloningen. Dat percentage hangt af van je jaarloon van vorig jaar. In dit voorbeeld is het 42,01%. Het is hoger dan je gemiddelde belastingdruk, omdat bij een hoger inkomen de heffingskortingen afnemen. Daarom houd je van je vakantiegeld minder over dan je zou verwachten.
↑ Terug naar de strook
12Cumulatieven
De totalen vanaf 1 januari tot en met deze maand. In dit voorbeeld is dat tien maanden loon (€ 33.250) plus vakantiegeld in mei (€ 3.360). Aan het eind van het jaar staan deze totalen op je jaaropgaaf, die je gebruikt voor de aangifte inkomstenbelasting.
↑ Terug naar de strook
13Vakantiegeld
Je bouwt elke maand minimaal 8% van je brutoloon op aan vakantiegeld: hier € 280 per maand. Meestal krijg je het in één keer uitbetaald in mei of juni, over de periode van juni tot en met mei. Van juni tot en met oktober is dat in dit voorbeeld € 1.400. Op de strook zie je dit als een reservering; het wordt pas belast als het wordt uitbetaald (zie regel 11).
↑ Terug naar de strook
14Werkgeverslasten
Bovenop je brutoloon betaalt de werkgever premies die je niet terugziet als inhouding: WW-premie (AWf), arbeidsongeschiktheidspremie (Aof), Whk, opslag kinderopvang (Wko) en de werkgeversheffing Zvw voor de zorgverzekering. In dit voorbeeld is dat € 647,51 per maand. Veel werkgevers zetten dit niet op de strook; het is ter informatie.
↑ Terug naar de strook